Revisie NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2
Alle wijzingen in NHGDoc
De NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 is deels herzien door het NHG. Hierin is onder andere het stappenplan voor patiënten zonder zeer hoog risico op hart- en vaatziekten herzien en is er een paragraaf toegevoegd over diabetes in remissie. Naast de wijzigingen naar aanleiding van de revisie van de richtlijn, hebben wij nog een groot aantal verbeteringen doorgevoerd in de module. Daarnaast hebben we de inhoud van de module alvast voorbereid op het ExpertDoc CDS platform.
Hieronder leest u wat er nieuw is en hoe dit is geïmplementeerd in NHGDoc:
- Het medicamenteus stappenplan voor patiënten zonder zeer hoog risico op hart- en vaatziekten is herzien:
- In stap 2 krijgt u het advies om te overwegen te starten met een GLP1-agonist bij een BMI ≥ 30 of een SGLT2-remmer bij ≥ 4 risicofactoren voor hart- en vaatziekten, in plaats van gliclazide.
- Vanaf stap 3 is de keuze afhankelijk van patiëntkenmerken, de benodigde HbA1c-daling en de voorkeur van de patiënt. NHGDoc berekent voor u de gewenste HbA1c daling op basis van de persoonlijke streefwaarde van het HbA1c en geeft een medicatie-advies wat rekening houdt met de nierfunctie en eventuele contra-indicaties.
- Vanaf stap 3 krijgt u het advies om te wisselen tussen middelen indien 3 maanden na start maximaal verdraagbare dosering van het middel er sprake is van een HbA1c-daling < 5 mmol/mol.
- Alle patiënten met een zeer hoog risico op HVZ die al bloedglucoseverlagende medicatie gebruiken, krijgen nu ook bij een HbA1c ≤ 53 mmol/mol het advies een SGLT2-remmer (of bij een contra-indicatie een GLP1-agonist) te overwegen.’
- Bij onvoldoende effectiviteit van bloedglucoseverlagende medicatie 3 maanden na start van de medicatie in maximale dosering, krijgt u het advies om te wisselen van middel.
- Indien u het advies krijgt om een GLP1-agonist voor te schrijven of te overwegen, staat aangegeven of deze bij die specifieke patiënt vergoed wordt of niet. Ook ontvangt u een advies indien blijkt dat de GLP1-agonist onvoldoende effect heeft op het gewicht (gewichtsverlies < 5% na 3 maanden).
- Bij een eGFR tussen de 50 en 60 ml/min/1.73m2 hoeft u niet langer een aangepaste dosering metformine voor te schrijven.
- Er zijn adviezen toegevoegd die wijzen op een eventuele contra-indicatie voor de verschillende groepen bloedglucoseverlagende middelen
- Alle patiënten met hartfalen behoren nu tot de groep zeerhoogrisicopatiënten, ongeacht hun ejectiefractie.
- Er zijn adviezen toegevoegd voor een nuchter glucose ≥ 10 mmol/L op het moment van diagnose.
- Er zijn adviezen toegevoegd voor de controles van mensen met diabetes type 2 in remissie.
- Patiënten die een SGLT2-remmer of GLP1-agonist gebruiken voor andere indicaties van diabetes, krijgen geen advies uit de module diabetes.
- Bij alle patiënten met een voetulcus, krijgt u het advies om perifeer arterieel vaatlijden uit te sluiten en zo nodig te verwijzen.
- Kwetsbaarheid wordt vanaf nu meegenomen in alle adviezen.
- De adviezen over MODY en LADA zijn gewijzigd
- De adviezen over albuminurie en een verminderde nierfunctie zijn gewijzigd.
- Eventuele nieuwe ICPC-codes, laboratoriumbepalingen of metingen en medicatie zijn meegenomen in onze adviezen.
- Alle niet- medicamenteuze adviezen zijn gereedgemaakt voor diepe integratie. De medicatie adviezen worden momenteel gereed gemaakt.
Aandachtspunten
- De criteria om te bepalen of een patiënt met diabetes type 2 een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten heeft, zijn gebaseerd op de NHG-Standaard CVRM 2019. Dit is gebaseerd op de nieuwe NHG-Standaard voor diabetes type 2 (zie tabel h7). Het verschil met het risico uit de CVRM richtlijn 2024 is dat Microvasculaire aandoeningen op ≥ 3 plaatsen niet worden meegenomen. Te verwachten valt echter dat dit om een zeer kleine groep gaat aangezien patiënten met micro-albuminurie waarschijnlijk op basis van chronische nierschade met een mild verhoogd risico in de groep zeerhoogrisicopatiënten valt.